mijn pedagogsiche visie

 

1. Van muisdocent naar dialoogdocent

Mijn pedagogische visie zal met de vier vragen van de Duitse filosoof Immanuel Kant  uiteengezet worden: wat kan ik weten,  wat is de mens, wat moet ik doen en wat mag ik hopen.

1.1 Wat kan ik weten

Mijn draadloze muis hapert. Heeft het nieuwe voeding nodig? Een nieuwe batterij blijkt niet te helpen. Terug naar de muis met de staart of vooruit naar touchscreen? De muis heeft zich (opnieuw) een weg in mijn leven als onderwijsadviseur gevreten, met  als gevolg dat ik onvrede voel. En dat mishagen wordt extra gevoed doordat ik zie dat inktzwarte muizen langzaam de docenten veroveren, zowel op mijn onderzoeksschool als op andere scholen. Bij rekenlessen, spelling, verkeer en zelfs bij lessen over sociaal emotionele ontwikkeling is de didactiek van de onderwijzer steeds meer: klikken met de muis. Er is niet tot nauwelijks menselijke interactie, er is nauwelijks aandacht voor kunst, creativiteit en cultuur. De termen talentontwikkeling en gepersonaliseerd onderwijs zijn ‘hot’. Leerkrachten hebben alleen oog voor koppoters, het gehele kind is verdwenen met de ‘data-driven’ didactiek. Net als in de film ‘Modern Times’, waarin Charlie Chaplin op een bepaald moment zelf een deel van de machine wordt, zie ik muisdirecteuren en muisdocenten. Dit baart me zorgen.  Want is dat de rol van de leerkracht? Is zo’n opvoeder in het belang van de opvoedeling en in het belang van de wereld? Is de muisschool het ideaal? De tijd van de industrialisatie waarin mensen, net als Charlie Chaplin, werkten aan de lopende band is voorbij. We zitten in het digitale tijdperk, maar dit betekent toch niet dat de mens tot muis moet worden geüpload? Scholen  staan met de rug tegen de muur, worden door de opbrengstgerichte focus van de overheid, van de onderwijsinspectie, van hun bestuur maar soms ook door ouders min of meer gedwongen om vakken als tekenen, drama en geschiedenis te deleten. Ondanks dat de kerndoelen breder zijn geformuleerd dan alleen taal en rekenen, en ondanks dat de minister van onderwijs in juli burgerschap weer onder de aandacht bracht, de nadruk ligt nog teveel op kennis. Het wordt tijd dat de aandacht verschuift van koppoters naar het complete mens, van alleen-leren naar samen-leren, van klik-didactiek naar dialoog-didactiek.

1.2 Wat is de mens – De mens als opvoedeling

De mens is een sociaal wezen. Een mens zonder mensen is geen mens. Een mens kan zonder mens geen mens worden. De mens wordt pas mens als ze leren denken (Kant). Dat denken leren ze als ze taal gebruiken (Vygotsky), als ze zelf taal actief inzetten, een actieve  leerhouding hebben (Socrates, Rousseau, Montessori en Dewey). Die actieve leerhouding ontstaat door interactie met andere kinderen, door samenwerkend leren (Mercer, 1999).  Samen praten laat je denken, maakt je mens. Je leert jezelf kennen en de ander. Het maakt je een mens van de wereld. Van de kleine wereld (van het gezin, de straat, het dorp, de stad, het land) tot de gehele wereld. De mens is een wereldburger, een world-wide-webburger, het maakt deel uit van een groter geheel. Het zal daar ook zorg voor moeten dragen (Nussbaum, 2011) en vernieuwen (Arendt). Het kind moet leren dat de wereld niet zwart wit is, dat er voor elk probleem meerdere oplossingen zijn te bedenken, dat er verschillende geloven zijn en verschillende meningen over soms een enkel woord. Dit kan hij door samen met anderen de dialoog aan te gaan, door met anderen te spelen en te ontdekken. Door met andere culturen, godsdiensten en talen, in een klas te zitten, de klas als afspiegeling van de maatschappij, als tussenruimte (Arendt) waarin veilig geoefend kan worden in burgerschapsvaardigheden. Taal als overbrugging van culturele- en cognitieve verschillen.

1.3 Wat moet ik doen – De mens als opvoeder

De mens wordt pas mens door zijn opvoeding (Kant). Als parttime boerin spreekt de uitspraak van Rousseau ‘De landbouw kweekt planten, de opvoeder kweekt mensen’ mij aan. Zowel gras als het kind hebben een omgeving nodig met aandacht en voeding. Dat milieu wordt voor de één ingericht door een vakbekwame boer en voor de ander door een vakbekwame opvoeder. Gras groeit niet harder door er aan te trekken, het heeft tijd nodig om te groeien. Zo ook het kind. Observeer en creëer als opvoeder wat het kind nodig heeft voor de volgende stap, de zone van de naaste ontwikkeling (Vygotsky). De filosofische dialoog is daarbij het didactische en pedagogische instrument. Nussbaum noemt het de socratische pedagogiek; waarbij de leraar ruimte geeft aan het zelf denken van de leerling door geen antwoorden te geven maar vragen te stellen. De leraar begeleidt het leren en onderzoeken. Bij de filosofische dialoog spelen hogere denkordevragen (Bloom) een rol, is er sprake van community of inquiry. Op scholen komen vooral de lagere denkorde vragen (Bloom) voor, is er veelal sprake van instructie en controlevragen i.p.v. dialogische vragen (Alexander) en leren kinderen veel alleen. Soms worden er coöperatieve werkvormen ingezet waarbij kinderen met elkaar moeten overleggen. De leraar is vooral instructeur i.p.v. socratiseur.  Leerkrachten zouden een dialogische houding aan moeten nemen in alle vakken, in het team, naar ouders en naar kinderen. Daarmee leert en durft niet alleen het kind maar ook de docent, kritisch te denken en te spreken. Een vaardigheid die in de huidige controle- en de-professionalisering noodzakelijk is. Met de dialogische houding krijgt de opvoerder ‘dialogisch gezag’ (Berding, Pols, 2017), bij leerling, ouders, team en maatschappij. De mens is onderdeel van het groter geheel, alles hangt me elkaar samen. Zo zou het onderwijs ook vormgegeven moeten worden, geen aparte vakken maar geïntegreerd, systeemdenken.

1.4 Wat mag ik hopen – De school

School betekent vrijplaats (Griekse woord scholè), los van maatschappelijke verplichtingen.  Onderwijs is nu eerder een gevangenplaats dan vrijplaats. De druk op cijfers, op de taal- en rekenopbrengsten is hoog. Onderwijs moet zich richten op menswording (Hannah Arendt), een mens , die als burger verantwoordelijkheid kan en wil nemen in de gemeenschap. We moeten de aandacht in het onderwijs verbreden: van koppoters naar het complete mens. Of zoals het Biesta het formuleert: goed onderwijs werkt niet alleen aan kennisconstructie maar ook aan subjectivatie en socialisatie. Ik hoop dat scholen een vrije ruimte worden, waar aandacht is voor de eigen ‘taal en cultuur’ en de ‘talen en culturen’ er omheen. Ik hoop dat scholen een agoraplein creëren, waar niet alleen de kinderen maar ook de ouders en de dorpsbewoners met elkaar kunnen praten en filosoferen.

 

pedagogische visie